Schuifelen bij Parkinson: waarom het gebeurt en wat helpt

Kleine, slepende passen waarbij de voeten nauwelijks van de grond komen: schuifelen is een van de bekendste loopveranderingen bij de ziekte van Parkinson. Het lijkt onschuldig, maar het vergroot de kans op struikelen en vallen. In dit artikel lees je waarom schuifelen ontstaat, waarom het niet ‘gewoon bij het ouder worden hoort’ en wat je eraan kunt doen.

Waarom worden de passen kleiner?

Lopen is normaal een automatische beweging: je hersenen sturen het aan zonder dat je erover nadenkt. Bij Parkinson raakt dat automatische programma verstoord door een tekort aan dopamine.

Het gevolg: bewegingen worden kleiner dan je denkt dat ze zijn. Je hebt zelf het gevoel dat je normale passen zet, terwijl je omgeving ziet dat je pasjes steeds korter worden. Dit verschil tussen gevoel en werkelijkheid is heel kenmerkend voor Parkinson.

Ook vermoeidheid, spanning en off-perioden — momenten waarop de medicatie is uitgewerkt — maken het schuifelen vaak erger.

Daar komt bij dat schuifelen zichzelf versterkt. Kleine passen betekenen minder afwikkeling van de voet en minder gebruik van heup- en enkelspieren. Die spieren verliezen daardoor kracht en souplesse, waardoor grote passen zetten steeds moeilijker wordt. Hoe eerder je dit patroon doorbreekt, hoe makkelijker dat gaat.

De risico’s van schuifelen

Schuifelen is meer dan een cosmetisch probleem. Doordat de voeten laag over de grond bewegen, blijf je makkelijker haken achter een drempel, een kleedje of een oneffen stoeptegel.

Daarnaast gaat schuifelen vaak samen met andere loopproblemen. Kleine passen kunnen overgaan in festinatie — steeds snellere trippelpasjes — of in freezing, het plotseling ‘bevriezen’ van de voeten. Beide vergroten het valrisico aanzienlijk.

Tot slot kost schuifelend lopen meer energie. Veel mensen gaan er daardoor onbewust minder door bewegen, waardoor kracht en conditie afnemen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel.

Tips voor grotere passen

Het goede nieuws: aan schuifelen valt te trainen. Deze aanpakken helpen in de praktijk:

Belangrijk om te weten: bewuste aandacht voor het lopen werkt, maar is vermoeiend en lastig vol te houden. Daarom is training onder begeleiding zo waardevol.

Oefen daarnaast op vaste momenten. Een dagelijkse ‘grote-passen-wandeling’ van tien minuten, op een tijdstip dat je medicatie goed werkt, doet meer dan af en toe een lange sessie. Neem eventueel een naaste mee: die kan het ritme aangeven en je eraan herinneren wanneer de passen ongemerkt weer kleiner worden.

Hulp van een gespecialiseerde fysiotherapeut

Een fysiotherapeut met parkinsonexpertise analyseert jouw looppatroon en traint gericht op grotere passen, een beter ritme en meer stabiliteit. Ook technieken zoals cueing — externe prikkels die het loopritme ondersteunen — worden daarbij vaak ingezet.

Daarnaast kijkt de therapeut breder: hoe staat het met je spierkracht, balans en conditie? Juist die basis bepaalt hoe goed je het lopen kunt blijven volhouden in het dagelijks leven.

Hoe eerder je start, hoe meer resultaat. Wacht dus niet tot een val je dwingt om in actie te komen.

Herken jij dit looppatroon?

Merk je dat je passen kleiner worden, dat je vaker blijft haken of dat lopen meer energie kost dan vroeger? Dan is het verstandig om je looppatroon eens goed in kaart te brengen.

Doe onze gratis zelftest en ontdek binnen een paar minuten welke loopproblemen bij jou spelen en welke aanpak daarbij past.